Samenwerkingsverband

(WPO art. 17 en 18a, WEC art. 28a, WVO art. 24 en 17a)

 

Bij Passend onderwijs  gaat al het geld voor extra ondersteuning naar het samenwerkingsverband.[1] Ook de verantwoordelijkheid voor de wijze waarop dat geld wordt ingezet, komt dan volledig te liggen bij het samenwerkingsverband. Elke school in ons land, ook de speciale school, maakt dan deel uit van zo'n verband.

 

Voor het primair en het voortgezet onderwijs zijn er aparte samenwerkingsverbanden.[2] Elk samenwerkingsverband heeft als doel 'een samenhangend geheel van ondersteuningsvoorzieningen binnen en tussen de scholen (..) te realiseren en wel zodanig dat leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doormaken en leerlingen die extra ondersteuning behoeven een zo passend mogelijke plaats in het onderwijs krijgen.'

 

Indeling

 

Een school is niet vrij om te kiezen bij welk samenwerkingsverband het zich wil aansluiten. Na overleg met het veld en op basis van al bestaande vormen van samenwerking heeft het ministerie de verbanden ingedeeld: 76 in het primair onderwijs en 74 in het voortgezet onderwijs. De regio-indeling van de samenwerkingsverbanden passend onderwijs is te zien op www.passendonderwijs.nl/kengetallen. Hier is te lezen welke gemeentes onder welk samenwerkingsverband vallen; ook de bijhorende kengetallen zijn er te bekijken en te downloaden, zoals het aantal leerlingen per categorie en het beschikbaar budget.

 

In het primair onderwijs bestaat het samenwerkingsverband uit de reguliere basisscholen, sbo-scholen, en de scholen voor so van de clusters 3 en 4. In het voortgezet onderwijs bestaat het samenwerkingsverband uit het reguliere onderwijs, waaronder praktijkonderwijs, en de scholen voor vso. Alle scholen zijn aangesloten, dus ook de scholen voor havo en vwo in het voortgezet onderwijs. Sommige scholen bestaan uit meerdere vestigingen. Het bestuur van de school is voor alle vestigingen aangesloten bij het samenwerkingsverband waarin de vestigingen liggen. Het is dus mogelijk dat een schoolbestuur bij meerdere samenwerkingsverbanden is aangesloten.

Dat geldt ook voor een schoolbestuur voor (v)so cluster 3 of 4, omdat het zich ook mag aansluiten bij elk samenwerkingsverband waaruit het leerlingen heeft. Een verzoek tot toelating mag door de andere schoolbesturen niet worden geweigerd.

 

Bestuur

 

Het samenwerkingsverband is een rechtspersoon, waarin de samenwerking tussen deelnemende schoolbesturen wordt vastgelegd. Dat kan op verschillende manieren vorm krijgen, variërend van een stichting, vereniging of coöperatie, waarbinnen gewerkt wordt met een Bestuur/Directie, een Raad van Beheer of een Raad van Toezicht model. Afhankelijk van de gekozen vorm maakt een schoolbestuur al dan niet direct deel uit van het samenwerkingsverbandbestuur, bijvoorbeeld: als gekozen is voor een vereniging als rechtspersoon omdat het samenwerkingsverband erg groot is (bijv. meer dan 15 schoolbesturen), dan is het verengingsbestuur het dagelijks bestuur van het samenwerkingsverband en de ledenvergadering (= alle schoolbesturen) het orgaan dat het ondersteuningsplan en de begroting goedkeurt en toezicht houdt.[3]

 

Taak

 

Extra ondersteuning wordt dus een zaak van het samenwerkingsverband. De wijze waarop die ondersteuning wordt geboden, de intensiteit en de duur daarvan, de manier waarop ouders erbij worden betrokken en er over worden geïnformeerd – het zijn allemaal zaken waar het samenwerkingsverband over beslist. Of, met woorden van de wetstekst:

 

Het samenwerkingsverband heeft in elk geval tot taak:

  1. 'het vaststellen van een ondersteuningsplan',
  2. het verdelen en toewijzen van ondersteuningsmiddelen en ondersteuningsvoorzieningen aan de scholen'
  3. 'het beoordelen of leerlingen toelaatbaar zijn tot het onderwijs aan een speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband of tot het speciaal onderwijs, op verzoek van het bevoegd gezag van een school'
  4. 'het adviseren over de ondersteuningsbehoefte van een leerling op verzoek van het bevoegd gezag van een school als bedoeld'.

 

 

 

 

[1] Onderwijsinstellingen voor kinderen met een visuele, auditieve en/of communicatieve beperking blijven landelijk georganiseerd. Zij behouden hun rechtstreekse bekostiging en doen niet mee met de regionale indeling van scholen in samenwerkingsverbanden.

[2] Voor het Middelbaar Beroeps Onderwijs (MBO) geldt een eigen regeling: in de vergoeding die elke mbo-instelling vanuit de overheid ontvangt, zit een bedrag voor leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben. De instelling mag dat ondersteuningsgeld zelf inzetten en hoeft daarom geen deel uit te maken van een samenwerkingsverband. De deelnemersraad heeft adviesrecht als het gaat om 'voorzieningen voor deelnemers binnen de instelling'.

[3] In de toolkit onder 'Praktijkvoorbeelden en tools' zijn op www.passendonderwijs.nl bestuursmodellen te vinden in het instrumentarium voor het PO en VO.