medezeggenschap

(WMS art. 3, 4, 7, 10-14, 21-23, 28)

 

Aan elke school voor basis, speciaal en voortgezet (speciaal) onderwijs moet een medezeggenschapsraad verbonden zijn, waarvan ouders en leerlingen (13 jaar en ouder) naast personeelsleden deel uitmaken.

Indien een school onder een bestuur valt met meerdere scholen, dan wordt ook een gemeenschappelijke medezeggenschapsraad ingesteld. Er kan eventueel worden volstaan met

één gemeenschappelijke medezeggenschapsraad 'indien de instemming van twee derden van de leden van de desbetreffende medezeggenschapsraden is verkregen.'

 

De algemene taken van de medezeggenschapsraad zijn:

  1. naar vermogen bevorderen van 'openheid en onderling overleg in de school.'
  2. waken tegen 'discriminatie op welke grond dan ook' en bevorderen van 'gelijke behandeling in gelijke gevallen en in het bijzonder de gelijke behandeling van mannen en vrouwen alsmede de inschakeling van gehandicapten en allochtone werknemers.'
  3. schriftelijk verslag doen van zijn werkzaamheden 'aan alle bij de school betrokkenen' en stelt hen in de gelegenheid om 'met hem overleg te voeren.'

Naast deze algemene taken heeft elke raad de taak beleidsvoornemens van het bestuur te bespreken. Daarbij wordt onderscheid gemaakt naar zaken waarvoor het bestuur instemming nodig heeft van de raad en zaken waarvoor het bestuur eerst advies moet inwinnen bij de raad alvorens een definitief besluit te nemen.

 

Instemming van de gehele medezeggenschapsraad is bijvoorbeeld nodig voor de vaststelling of wijziging van het schoolplan (tenminste , de onderwijs- en examenregeling, het beleid met betrekking tot 'het verrichten van ondersteunende werkzaamheden door ouders',  de klachtenregeling en het aangaan van een fusie.

 

Advies moet het bestuur verplicht bij de medezeggenschapsraad inwinnen alvorens te besluiten over bijvoorbeeld het lesrooster in het voortgezet onderwijs, het beleid 'met betrekking tot de organisatie van de school' en 'de toelating en verwijdering van leerlingen', de vakantieregeling en 'vaststelling of wijziging van het schoolondersteuningsprofiel'.

 

Daarnaast zijn er zaken die instemming of advies van alleen het personeelsdeel of van alleen het ouder-/leerlingdeel van de medezeggenschapsraad vereisen. Voor wat betreft de ouder-/leerlinggeleding: haar instemming heeft het bestuur o.m. nodig voor de hoogte en de bestemming van de ouder-/leerlingbijdragen, het beleid 'met betrekking tot voorzieningen ten behoeve van de leerlingen', de schoolgids, de onderwijstijd, het beleid 'met betrekking tot activiteiten die buiten de voor de school geldende onderwijstijd worden georganiseerd onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag' en het beleid 'ten aanzien van de uitwisseling van informatie tussen bevoegd gezag en ouders'.

 

Bovenstaande regelingen zijn wettelijk vastgelegd en dus voor elke school geldig. Nadere uitwerking geschiedt via het medezeggenschapsstatuut en het medezeggenschapsreglement. Daarvoor wordt meestal gebruik gemaakt van modellen welke door de landelijke koepels zijn opgesteld.

 

Om haar taak goed uit te voeren moet het schoolbestuur de benodigde 'voorzieningen' beschikbaar stellen (officieel: 'gebruik toestaan'). Ook moet het een regeling treffen 'voor de redelijkerwijs noodzakelijke kosten van medezeggenschapsactiviteiten die door ouders, leerlingen en personeel in de medezeggenschapsraad en de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad worden ondernomen, daaronder begrepen scholingskosten, kosten voor inhuur van deskundigen en kosten van het voeren van rechtsgedingen.' Daarnaast kan - dus niet verplicht -  het bestuur 'een vacatievergoeding toekennen aan ouders en leerlingen die lid zijn van de medezeggenschapsraad' en bijdragen in de kosten voor administratieve ondersteuning van de medezeggenschapsraad.

 

Wet versterking bestuurskracht onderwijsinstellingen

 

De wet Versterking bestuurskracht onderwijsinstellingen brengt belangrijke wijzigingen met zich mee op gebied van medezeggenschap in het primair- en voortgezet onderwijs. Deze wet is per 1 januari 2017 van kracht geworden. Voor de medezeggenschap verandert daardoor het navolgende:

  1. Benoemingen van bestuurders moeten plaatsvinden op basis van vooraf kenbare profielen
    De (G)MR krijgt adviesrecht op de vaststelling van die profielen.
  2. De (G)MR heeft adviesrecht op voorgenomen besluiten tot benoeming of ontslag van een bestuurder
    Voor het benoemen van een bestuurder wordt een sollicitatiecommissie ingesteld, waarin een vertegenwoordiging namens de personeelsgeleding en de ouder- respectievelijk leerlinggeleding zitting neemt.
  3. Ten minste twee keer per jaar vindt overleg plaats tussen het medezeggenschapsorgaan en de interne toezichthouder
    Dit wordt niet in de Wms geregeld maar in de Wet op het primair onderwijs (WPO), de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO) en de Wet op de expertisecentra (WEC).
  4. In de Wet medezeggenschap op scholen zal de positie van de MR versterkt worden
    • de MR krijgt rechtstreeks de noodzakelijke kosten vergoed van het bevoegd gezag, zonder dat daarvoor nog een faciliteitenregeling vereist is. De MR moet het bevoegd gezag wel vooraf in kennis stellen van de te maken kosten voor het raadplegen van deskundigen en het voeren van rechtsgedingen; doet de MR dat niet, dan komen die kosten niet ten laste van het bevoegd gezag;
    • als het bevoegd gezag een besluit neemt waarmee de MR niet heeft ingestemd of waarvoor niet de vereiste instemming van de MR gevraagd is, kan de MR tegenover het bevoegd gezag binnen 6 weken de nietigheid van het besluit inroepen;
    • de MR kan de Landelijke Commissie voor Geschillen WMS (LCG WMS) vragen om het bevoegd gezag te verplichten zich te onthouden van uitvoering of toepassing van een nietig besluit;
    • de MR kan ook een adviesgeschil aan de geschillencommissie voorleggen als het bevoegd gezag ten onrechte geen advies aan de MR heeft gevraagd;
    • de uitspraak van de LCG WMS kan ten uitvoer worden gelegd nadat de voorzieningenrechter van de rechtbank daartoe op verzoek van de MR verlof heeft verleend.
  5. De bevoegdheid van de LCG WMS wordt uitgebreid:
    • nalevingsgeschillen zullen niet langer tot de bevoegdheid van de Ondernemingskamer behoren maar bij de LCG WMS thuishoren. Dit betekent een meer laagdrempelige voorziening waar niet de bijstand van een advocaat vereist is;
    • nalevingsgeschillen zullen zowel door de MR als door het bevoegd gezag kunnen ingediend worden bij de LCG WMS;
    • de LCG WMS kan het bevoegd gezag de verplichting opleggen om de gevolgen van een besluit ongedaan te maken of om na te laten om het besluit uit te voeren;
    • de LCG WMS kan een dwangsom opleggen aan het bevoegd gezag;de LCG WMS kan de MR ontbinden als deze zijn verplichtingen niet nakomt.
  6. De rol van de Ondernemingskamer verandert:
    • de Ondernemingskamer bij het gerechtshof Amsterdam is niet meer bevoegd voor nalevingsgeschillen; dat wordt de LCG WMS;
    • de Ondernemingskamer is alleen nog bevoegd om kennis te nemen van een beroep tegen een uitspraak van de LCG WMS;
    • de Ondernemingskamer krijgt een ruimere beoordelingsbevoegdheid: het voorschrift dat de Ondernemingskamer alleen toetst of de LCG WMS de Wms juist heeft toegepast, wordt geschrapt.
  7. De leerlingengeleding krijgt instemmingsrecht op het leerlingenparticipatiebeleid
    In het voortgezet onderwijs krijgt de leerlingengeleding van de medezeggenschapsraad (MR) instemmingsrecht op de vaststelling en wijziging van het leerlingenparticipatiebeleid. In het leerlingenparticipatiebeleid legt elke school voor voortgezet onderwijs vast hoe de inspraak en betrokkenheid van leerlingen wordt geregeld. 

 

> Meer informatie: www.infowms.nl