samenwerkingsverband en ondersteuningsplan

(WPO art. 18a, WEC art. 28a, WVO art. 17a)

 

Bij Passend onderwijs  gaat al het geld voor extra ondersteuning naar het samenwerkingsverband.[1] Ook de verantwoordelijkheid voor de wijze waarop dat geld wordt ingezet, komt dan volledig te liggen bij het samenwerkingsverband. Elke school in ons land, ook de speciale school, maakt dan deel uit van zo'n verband. Voor het primair en het voortgezet onderwijs zijn er aparte samenwerkingsverbanden.[2] Elk samenwerkingsverband heeft als doel 'een samenhangend geheel van ondersteuningsvoorzieningen binnen en tussen de scholen (..) te realiseren en wel zodanig dat leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doormaken en leerlingen die extra ondersteuning behoeven een zo passend mogelijke plaats in het onderwijs krijgen.'

 

Extra ondersteuning wordt dus een zaak van het samenwerkingsverband. De wijze waarop die ondersteuning wordt geboden, de intensiteit en de duur daarvan, de manier waarop ouders erbij worden betrokken en er over worden geïnformeerd – het zijn allemaal zaken waar het samenwerkingsverband over beslist. Of, met woorden van de wetstekst: Het samenwerkingsverband heeft in elk geval tot taak:

  1. 'het vaststellen van een ondersteuningsplan',
  2. 'het verdelen en toewijzen van ondersteuningsmiddelen en ondersteuningsvoorzieningen aan de scholen'
  3. 'het beoordelen of leerlingen toelaatbaar zijn tot het onderwijs aan een speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband of tot het speciaal onderwijs, op verzoek van het bevoegd gezag van een school'
  4. 'het adviseren over de ondersteuningsbehoefte van een leerling op verzoek van het bevoegd gezag van een school als bedoeld'.

Het ondersteuningsplan is uitermate belangrijk, zeker voor ouders van kinderen die op extra ondersteuning zijn aangewezen. In dit plan worden nl. de afspraken beschreven over hoe de scholen in het samenwerkingsverband zo goed mogelijk passend onderwijs realiseren voor hun leerlingen, zodat elke school aan de zorgplicht kan voldoen. Zo wordt de manier vastgelegd waarop ouders worden geïnformeerd en hoe het geld voor de extra ondersteuning wordt ingezet: voor welke leerling, hoeveel, hoe lang en waarvoor. Eveneens wordt vastgelegd welke voorzieningen voor ondersteuning elke school binnen het verband tenminste biedt (basisondersteuning). Ook de criteria voor toelating tot speciaal onderwijs en voor terugplaatsing worden in het plan vastgelegd. Als basis voor dit plan wordt uitgegaan van wat elke school binnen aan ondersteuning te bieden heeft, het schoolondersteuningsprofiel[3].

 

De medezeggenschap binnen een samenwerkingsverband is formeel geregeld door de instelling van een medezeggenschapsraad op het niveau van het samenwerkingsverband, de ondersteuningsplanraad (afgekort: OPR). Van deze raad maken ouders officieel deel uit, naast medewerkers en leerlingen (voortgezet onderwijs). Bij het vaststellen van het ondersteuningsplan heeft de ondersteuningsplanraad instemmingsrecht.

 

Tenminste elke vier jaar moet het ondersteuningsplan opnieuw worden vastgesteld.

 

Wet versterking bestuurskracht onderwijsinstellingen

 

De wet Versterking bestuurskracht onderwijsinstellingen brengt belangrijke wijzigingen met zich mee op gebied van medezeggenschap in het samenwerkingsverband. Deze wet is per 1 januari 2017 van kracht geworden. Voor de medezeggenschap verandert daardoor het navolgende:

  1. Benoemingen van bestuurders moeten plaatsvinden op basis van vooraf kenbare profielen.
  2. De interne toezichthouder of het intern toezichthoudend orgaan pleegt ten minste tweemaal per jaar overleg met de ondersteuningsplanraad.
  3. Voor het benoemen van een bestuurder wordt een sollicitatiecommissie ingesteld, waarvan in elk geval deel uit maken:
    • Een lid dat afkomstig is uit of namens het deel van de ondersteuningsplanraad dat door het personeel is gekozen.
    • Een lid dat afkomstig is uit of namens het deel van de ondersteuningsplanraad dat door de ouders is gekozen.
  4. De ondersteuningsplanraad wordt vooraf in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen tot in elk geval de volgende aangelegenheden:
    • de vaststelling van de competentieprofielen van de toezichthouders en het toezichthoudend orgaan, alsmede van de leden van het bestuur van het samenwerkingsverband;
    • aanstelling of ontslag van de leden van het bestuur van het samenwerkingsverband.
  5. De kosten die redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de vervulling van de taak van de ondersteuningsplanraad, incl. scholingskosten, komen ten laste van het bevoegd gezag.

 

> Zie verder '1.3 Samenwerkingsverband en ondersteuningsplan'.

 

 

Klik op de afbeelding voor 1.1 Infoblad wet- en regelgeving; inspraak ouders

 

 

 

[1] Onderwijsinstellingen voor kinderen met een visuele, auditieve en/of communicatieve beperking blijven landelijk georganiseerd. Zij behouden hun rechtstreekse bekostiging en doen niet mee met de regionale indeling van scholen in samenwerkingsverbanden.

[2] Voor het Middelbaar Beroeps Onderwijs (MBO) geldt een eigen regeling: in de vergoeding die elke mbo-instelling vanuit de overheid ontvangt, zit een bedrag voor leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben. De instelling mag dat ondersteuningsgeld zelf inzetten en hoeft daarom geen deel uit te maken van een samenwerkingsverband. De deelnemersraad heeft adviesrecht als het gaat om 'voorzieningen voor deelnemers binnen de instelling'.

[3] Het schoolondersteuningsprofiel moet door elke school ten minste een keer per vier jaar worden  vastgesteld na advies van haar medezeggenschapsraad. Ouders maken deel uit van de medezeggenschapsraad en hebben via dit kanaal invloed op hetgeen in het profiel wordt beschreven.